De vertrouwenssamenleving (@ www.kennisland.nl, 2000, in Dutch)

Vertrouwen is uitgaan van de goede wil en competenties van een ander zonder daarvoor sluitende bewijzen of garanties te hebben. Vertrouwen is ook nogal uit. Vertrouwen is naïef, CDA of new age. Op z’n best is vertrouwen iets voor je eigen sociale kring, voor kleine groepjes vertrouwelingen. Toch is vertrouwen belangrijker dan ooit belangrijk in de kenniseconomie. Niet vanwege politieke partijen maar vanwege harde economische wetmatigheden.

 

Een van die economische wetten is die van de transactiekosten. Deze theorie stelt dat bedrijven de dingen die ze moeten doen om te bestaan of moeten inkopen op de markt, of zelf binnen huis moeten halen. Waarom? Omdat alleen interne krachten te vertrouwen zijn. En als je iemand kunt vertrouwen dalen de kosten van het zaken doen met die persoon, de transactiekosten dus. Je hoeft immers geen waterdicht contract op te stellen, je juridische afdeling in te schakelen, om bankgaranties te vragen, de leveringen op kwaliteit te inspecteren etc. Althans, zo dachten de opstellers van deze transactiekostentheorie er over, de heren Coase [1] en Williamson [2].

 

Tot zover het standaard-economische denken. Nu over naar een minder bekende tak van de economische wetenschap, de speltheorie. Daar is het ‘’prisoner’s dilemma’’ welbekend. In het eind van de jaren zeventig organiseerde speltheoreticus Robert Axelrod een tournooi tussen computerprogramma’s rondom dit dilemma dat verstrekkender gevolgen zou blijken te hebben voor het denken over vertrouwen in het economische en sociale verkeer.

 

Waar ging het om? Stel, twee criminelen plegen een inbraak. Ze worden gepakt en onafhankelijk van elkaar verhoord. Elk van hen heeft nu twee mogelijkheden: doorslaan en hopen op strafvermindering of zwijgen en erop vertrouwen dat de ander niet doorslaat. Als beiden zwijgen (en elkaar dus vertrouwen) gaan ze vrijuit, als de één de ander verlinkt komt hij er met een lichte straf af, praten beiden dan worden ze even zwaar gestraft. In bovengenoemd computertournooi, waarvan Axelrod verslag doet in zijn klassieker The evolution of cooperation [3], ging het om computerprogramma’s met verschillende strategieën voor het zogenaamde iterated prisoner’s dilemma: wat te doen als je meerdere malen met dezelfde personen voor zo’n dilemma geplaatst wordt?

 

Aan het tournooi deden 62 programma’s mee. Ze werden ingezonden door hobbyisten uit zes landen, uit economische, sociologische, politicologische en wiskundige hoek. Sommige programma’s waren zeer uitgebreid, allemaal verschilden ze van elkaar. Het simpelste programma won. Dit was het programma genaamd TIT FOR TAT. Dit programma had als beslisregel: als je een onbekende tegenkomt, vertrouw je die. Word je door deze onbekende genaaid, dan pak je hem of haar terug de volgende keer dat je elkaar tegenkomt. Wordt je vertrouwen beloond, ga dan ook de volgende keer uit van goede wil bij de ander.

 

Goede wil en onderling vertrouwen noemt historicus Francis Fukuyama ‘’social virtues’’. Anders dan bovengenoemde Williamson vindt Fukuyama (ja, de man van the end of history) dat samenlevingen waarin mensen ook anderen vertrouwen die ze niet persoonlijk goed kennen het economisch beter doen dan daar waar het-ieder-voor-zich-en-God-voor-ons-allen is. Fascinerend boek, alleen hebben niet alleen ik maar ook Amerikanen in mijn omgeving moeite met Fukuyama’s karakterisering van de U.S. als een land waar social virtues hoog in aanzien staan.

Aan de andere kant van de plas komt Geoff Mulgan tot soortgelijke inzichten. Deze ideoloog van Tony Blair’s New Labour stelt in het voortreffelijk geschreven Connexity [4] dat het grootste maatschappelijke probleem van deze tijd de in vergelijking met het verleden grenzeloze vrijheid is die individuen in het welvarende Westen genieten zonder dat deze gepaard gaat met vertrouwen en met gedrag waarop anderen kunnen vertrouwen. Het christen-democratisch gedachtengoed wordt hier welsprekend links ingehaald.

 

Terug over de plas en terug naar de economen. Berkely-economen Carl Shapiro en Hal Varian van laten zien dat onderling vertrouwen alleen maar belangrijker wordt in de ‘new economy’. Daarin spelen allianties namelijk een grotere rol dan ooit. Let wel: we hebben het hier niet over vertrouwen op basis van levensbeschouwelijk gedachtengoed, maar vertrouwen gedreven door welbegrepen eigenbelang. In hun Information rules [5] leggen Shapiro en Varian uit dat allianties van bedrijven rondom bepaalde technologische standaards (Windows, Video 2000, DVD) essentieel zijn in het krijgen van een dominante marktpositie. Bij die allianties moet je maar hopen dat je medestanders je geen oor aannaaien. Maar hoe beter het gaat met de alliantie, hoe meer het een kwestie van eigenbelang wordt om loyaal gedrag te vertonen. Echter, ook dat bleek ook al uit Axelrod’s onderzoek naar TIT FOR TAT. Hoe meer spelers er rondlopen die dit principe hanteren, hoe gevaarlijker het wordt voor andere spelers om nog onbetrouwbaar gedrag te vertonen.

 

Overigens, toch blijft het ook tobben met vertouwen, ook in kennisland Berkeley en omgeving, d.w.z. in Silicon Valley. Lees er Ellen Ullman’s relaas van het problematische leven van een freelance software engineer en consultant in de late jaren negentig maar op na in haar semi-autobiografische roman ‘’Close to the machine. Technophilia and its discontents’’ [6]. Juist daar waar het salonfähig is om te spreken van vertrouwen, namelijk in persoonlijke relaties in je privéleven en op je werk, blijkt dat niet mee te vallen in deze jachtige tijden. Toch lijkt ook hier de oplossing niet minder vertrouwen, maar juist meer. Zo pleit Ed Marshall in zijn recente ‘’Building trust at the speed of change’’ [7] juist voor maximaal onderling vertrouwen op de werkvloer omdat anders veranderingen niet van de grond komen. 

Enfin, we zullen er maar op vertrouwen dat het allemaal goed komt.

[1] Coase, R.H. (1990) The Firm, the Market, and the Law, University of Chicago Press

[2] Williamson, O.E. (1985) The Economic Institutions of Capitalism: Firms, Markets, Relational Contracting, Free Press

[3] Axelrod (1984) The evolution of cooperation, Princeton University Press

[4] Geoff Mulgan (1998) Connexity: How to live in a connected world, Vintage

[5] Shapiro and Varian (1999) Information rules, Harvard Business School Press

[6] Ullman, E. (1997) Close to the machine. Technophilia and its discontents, City Lights Books.

[7] Marshall, E. (1999) Building trust at the speed of change, Amacom.

By continuing to use the site, you agree to the use of cookies.

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close